zwetserij
opschepperij, opsnijderij, gebazel, gebeuzel, geklets, gewauwel
opschepperij, opsnijderij, gebazel, gebeuzel, geklets, gewauwel
` zwet – sen, («Duits) (zwetste, h. gezwetst),
` zwe – ten, (zweette, h. gezweet),
` zwer – ver, de -woord (mannelijk), zwervers, iem. die zwerft; iem. zonder vaste woonplaats; zwervertje huisdier zonder vast tehuis
tiende hersenzenuw, motorisch, sensibel en secretorisch, oorsprong in het ganglion jugulare en vermoedelijk ook het ganglion nodosum, naar bijna alle organen in de thorax en het abdomen
` zwer – ven, (zwierf, h. gezworven),
landloper, voetzoeker
benamingen voor de wolachtige massa bestaande uit gelijkdig in grote aantallen op champignonteeltbedden voorkomende exemplaren uit de familie der Rhabditidae en de familie der Cephalobidae van de klasse der draadwormen rondwormen Nematoda van de stam der Aschelminthes van het dierenrijk
de -woord (mannelijk), zwermen,
firmament, hemel, uitspansel