Wat Betekent Het?

Voor De Betekenis Van Alle Nederlandse Woorden!

pracht

grootsheid, parade, splendeur, splendeur, uithaal, vertoon, weelderigheid, glans, grootheid, heerlijkheid, luister, luxe, praal, pronk, rijkdom, schittering, staatsie

praatziek

babbelziek, kletserig, kwebbelig

praatjesmaker

fraseur, bluffer, branie, druktemaker, opschepper, windbuil

praatje

` praat – je, het -woord, praatjes,

praat

de -woord (mannelijk), het praten;, iem. aan de praat houden, a) een gesprek met iem. lang rekken; b) figuurlijk de beslissing uitstellen;, (een auto, machine e.d.) aan de praat krijgen, doen starten, doen functioneren;, praats aanmatiging, ophef, een hoog woord: praats hebben ; zie ook praatje

praatchip

apparaat voor het samenstellen van spraakklanken

praam

Niet voorzien van mechanische voortstuwingsmiddelen; klein, platboomd vaartuig dat geboomd wordt, op de binnenwateren gebruikt voor vervoer van vee, mest enz