pracht
grootsheid, parade, splendeur, splendeur, uithaal, vertoon, weelderigheid, glans, grootheid, heerlijkheid, luister, luxe, praal, pronk, rijkdom, schittering, staatsie
grootsheid, parade, splendeur, splendeur, uithaal, vertoon, weelderigheid, glans, grootheid, heerlijkheid, luister, luxe, praal, pronk, rijkdom, schittering, staatsie
babbelziek, kletserig, kwebbelig
fraseur, bluffer, branie, druktemaker, opschepper, windbuil
` praat – je, het -woord, praatjes,
de -woord (mannelijk), het praten;, iem. aan de praat houden, a) een gesprek met iem. lang rekken; b) figuurlijk de beslissing uitstellen;, (een auto, machine e.d.) aan de praat krijgen, doen starten, doen functioneren;, praats aanmatiging, ophef, een hoog woord: praats hebben ; zie ook praatje
apparaat voor het samenstellen van spraakklanken
praamschuiver, schipper
Niet voorzien van mechanische voortstuwingsmiddelen; klein, platboomd vaartuig dat geboomd wordt, op de binnenwateren gebruikt voor vervoer van vee, mest enz
pronkzucht
pronkzuchtig