pretmaker
bon-vivant, doordraaier, fuifnummer, levensgenieter, losbol, pierewaaier, zwierbol
bon-vivant, doordraaier, fuifnummer, levensgenieter, losbol, pierewaaier, zwierbol
` pret – je, het -woord, pretjes, feestje; plezierige bezigheid;, geen pretje, allesbehalve plezierig
verwaand, arrogant, aanmatigend, ingebeelde eigen waan.
aanspraak, aanmatiging, eigenwaan, verwaandheid
bescheiden
aanspraak maken op opeisen
kandidaat, opvolger, vrijer
de -woord, plezier: pret hebben, maken ;, dat mag de pret niet drukken, a) dat is geen beletsel om vrolijk te blijven; b) dat is geen beletsel om door te gaan, door te zetten; zie ook, pretje
vermoedelijk
Voor de synaps liggend, dit is de spleet tussen 2 zenuwcellen.