zwieren
ronddraaien, zwaaien, centrifugeren, fuiven
ronddraaien, zwaaien, centrifugeren, fuiven
centrifuge, droogzwierder
flierefluiter, losbol, pretmaker
zwaai, zwenk, zwieper, gratie, sierlijkheid, zwierigheid, boemel, rol
` zwich – ten, (zwichtte,
` zwe – ve – rig, bijvoeglijk naamwoord,
Ruimer, die zich zelf instelt in het te ruimen gat als gevolg van een beweeglijke ophanging in een meeneembus
een onder een vaste brug(en daaraan verbonden)heen en weer gaand voertuig voor het overzetten van het langzame verkeer;oorspronkelijk uit Bilbao;niet in NL
Draaibewerking waarbij het werkstuk slechts aan een zijde wordt ingespannen
` zwe – ven, (zweefde, h. en is gezweefd),