pruttelen
` prut – te – len, (pruttelde, h. geprutteld),
` prut – te – len, (pruttelde, h. geprutteld),
broddelwerk, knoeiwerk
knoeierig, prutsig, knudde, peuterig, slordig, onbelangrijk, petieterig, waardeloos
broddelen, frutselen, liefhebberen, modderen, pielen, rotzooien, fikfakken, frullen, knoeien, knutselen, krasselen, peuteren
` prut – ser, de -woord (mannelijk), prutsers, knoeier
prul, spul, vod, streek, praatjes, leugen, sufferd, sul, peuter, ukkepuk, dreumes
drab, koffiedik, modder, bagger, rotzooi, knoeiwerk
de prikkelingstoestand van de huid, die aanvankelijk door schuiven of krabben wordt verlicht
recidiverende urticariële papulo-vesiculeuze huidziekte, voornamelijk bij kinderen, waarbij de urticae klein en rond zijn, bedekt met vesiculae
jeuk