zeurkous
` zeur – kous, de -woord, zeurkousen, zeur
` zeur – kous, de -woord, zeurkousen, zeur
druilerig, grijnig, pruilerig, sikkeneurig, zemelig, temerig
emmeren, klieren, klooien, kwezelen, melken, mieren, ouwehoeren, reutelen, urmen, zagen, zemelen, zemelknopen, kloten, kutkammen, kwijlen, malen, mekken, palaberen, sodemieteren, vervelen, zaniken, zeiken, zeveren, ziegezagen, aandringen
temerig, zeurend
de -woord, zeuren, iemand die zeurt
` zeu – len, (zeulde, h. gezeuld), voortslepen, sjouwen
de -woord (vrouwelijk), zeugen, wijfjesvarken
zetting van de bodem ten gevolge van wateronttrekking of belastingen van de grond
De ruimte of afdeling in een grafisch bedrijf waar het zetten plaats heeft.
letterzetter