roem
de -woord (mannelijk),
de -woord (mannelijk),
gloriëren, bezingen, loven, prijzen, verheerlijken, vieren
markgraaf van Bretagne, vazal van Karel de Grote, zie Roelant
` roe – ke – loos, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, zorgeloos, onbezonnen, niet op gevaar lettend;, roe – ke` loos – heid, de -woord (vrouwelijk), roekeloosheden
Corvus frugilegus, kraaiachtige vogel.
roeispaan
roeibank
meten, peilen
Glazen buis één zijde in ‘kneep’ versmolten met stengel en eventueel met staafje aan andere zijde geflensd ter versmelting met de ballon.
Ketting die stellen transporteert, waarbij de roefels door verhitting een voorspanning krijgen.