I, vragend voornaamwoord, wat ga je doen? ; wat voor een boek heb je daar? ; uitroep van verbazing in: wat veel! ;, II, onbepaald voornaamwoord of onbepaald telwoord, iets: ik heb wat voor je ; heb je wat geld voor me? ; wat te drinken vragen ;, III, betrekkelijk voornaamwoord, hetgeen: alles wat hij gezegd heeft, wist ik al ;, IV, bijwoord,