` ve – gen, (veegde, h. geveegd), van stof of vuil ontdoen met een bezem, stofdoek enz.;, voeten vegen, op een mat de schoenzolen reinigen;, ieder moet voor (zijn) eigen deur vegen, zijn eigen gebreken trachten te verbeteren (en niet aanmerkingen maken op anderen);, van het bord vegen, verpletterend verslaan bij een bordspel als dammen of schaken; zie ook bij, bezem en tafel (bet 6)