(«Oud-Frans«Latijn), de -woord, planken, lang, plat, rechthoekig stuk hout;, de plank misslaan, het mis hebben;, op de planken komen, op het toneel;, van de bovenste plank, van de beste soort, van de eerste kwaliteit;, tussen (de) zes planken, in de doodkist;, zo stijf als een plank, zeer stijf;, brood op de plank hebben, te eten hebben; inkomsten hebben;, Zuid-Nederlands :, er is brood, werk op de plank, er is werk aan de winkel, er is veel te doen; zie ook bij, brood en hout