de -woord (mannelijk), noden, gevaarlijke, smartelijke, zorgelijke omstandigheden;, van node hebben, zijn, nodig hebben, zijn;, nood leert bidden, als men gebrek heeft of in nood zit, vraagt men wel om ondersteuning of hulp;, nood breekt wet, in gevaar moet men soms tegen de regels ingaan;, klagers hebben geen nood, wie luid klagen, hebben het meestal niet het slechtst;, klagers geen nood, pochers geen brood, wie over zijn armoede klaagt, heeft het dikwijls beter dan wie zich royaal voordoet;, als de nood het hoogst is, is de redding nabij ;, als de nood aan de man komt, als er gevaar dreigt;, van de nood een deugd maken, uit slechte omstandigheden nog voordeel trekken;, hoge nood hebben, dringend zijn natuurlijke behoefte moeten doen;, Zuid-Nederlands :, als het nood doet, schrijftaal als het nodig is, als de nood aan de man komt;, Zuid-Nederlands :, nood hebben aan iem., iets, er behoefte aan hebben;, Zuid-Nederlands :, er is nood aan, er is gebrek, tekort aan