de -woord (mannelijk), nekken, achterste deel van de hals;, nek aan nek, bijna naast elkaar (in wedren);, dat zal hem de nek breken, dat zal zijn ondergang zijn;, de nek breken over, in overvloedige mate aantreffen;, de nek omdraaien, figuurlijk te gronde richten;, de nek uitsteken, iets gewaagds aandurven;, iemand met de nek aankijken, hem minachtend voorbijgaan;, iemand in de nek zien of kijken, hem bedriegen;, over zijn nek gaan, braken; figuurlijk van iets walgen;, Zuid-Nederlands :, een dikke nek krijgen, verbeelding krijgen