na` bij, I, bijvoeglijk naamwoord, dichtbijgelegen: in de nabije toekomst ; het Nabije Oosten ;, II, bijwoord, in de buurt, in de nabijheid: die kerk is zeer nabij ;, III, voorzetsel ,, vooral Zuid-Nederlands , bij, in de nabijheid van: nabij het station van Wildert ontspoorde de trein ; ook als achtergeplaatst vz :, hij was de dood nabij, hij was bijna dood