` mor – gen, I, de -woord (mannelijk), morgens, deel van de dag van zonsopgang tot de middag, ochtend;, des morgens, `s morgens, in de ochtend, in de voormiddag;, de morgen des levens, de jeugd;, de morgen weet niet wat de avond brengt, aan het begin van de dag weet men niet hoe deze verloopt;, II, bijwoord, de volgende dag;, morgen brengen!, reken daar maar niet op, daar gebeurt niets van;, III, de -woord (mannelijk) & het -woord, morgens, landmaat van verschillende grootte