` lig – gen, (lag, h. en is gelegen), uitgestrekt zijn; rusten op; zich bevinden; zijn: in echtscheiding liggen ;, in de kost liggen, kostganger zijn;, het lelijk laten liggen, zich slecht van een taak kwijten, zich ergerlijk misdragen;, het ligt eraan, of het goed gaat, het hangt ervan af, of het goed gaat;, aan mij zal het niet liggen, op mij kan gerekend worden, ik zal doen wat ik kan;, met iemand overhoop liggen, ruzie hebben;, er zich niets aan gelegen laten liggen, onverschillig zijn;, de wind gaat liggen, het wordt stil weer;, (voortdurend) hinderlijk bezig zijn met:, lig niet zo te zeuren ;, dat ligt mij niet, dat past niet bij mijn karakter of gevoelens;, Zuid-Nederlands :, iem. liggen hebben, iem. de baas zijn, de loef afsteken; iem. te pakken hebben, beetgenomen hebben;, Zuid-Nederlands :, er (bij iem.) gelegen hebben, het (bij iem.) verbruid hebben;, Zuid-Nederlands :, liggend geld, contant geld, contanten; zie ook bij, gelegen , 1 links , 1 loer