I, bijvoeglijk naamwoord, aan het eind, op het uiterste tijdstip;, op zijn laatst, op de uiterst mogelijke tijd;, ten laatste, a) op de laatste plaats; b) ten slotte, eindelijk;, zijn laatste uren, de uren vlak voor zijn dood;, Laatste Avondmaal, het laatste maal dat Jezus op de avond voor zijn sterfdag met zijn discipelen gebruikte; de voorstelling daarvan;, laatste man, voetbal ausputzer;, Zuid-Nederlands :, hij komt altijd de laatste binnen, als laatste;, Zuid-Nederlands :, ten langen laatste, ten langen leste, tenslotte, eindelijk; zie ook bij, loodje , nippertje en oordeel ;, II, bijwoord, kort geleden