het -woord, kinderen, in de spreektaal ook kinders, onvolwassen mens;, het kind moet een naam hebben, gezegd als iets door een niet zeer toepasselijke benaming (leuze, titel, enz.) wordt aangeduid;, het kind bij zijn naam noemen, ronduit, onverbloemd zeggen wat men bedoelt;, ergens (als) kind in of aan huis zijn, zeer vertrouwd, zeer bekend met wat er omgaat;, Kind van Staat, door de staat opgevoed vorstenkind:, in april 1666 werd prins Willem III door de Staten van Holland aangenomen als Kind van Staat ;, het kind van de rekening zijn, het slachtoffer zijn, de onaangename gevolgen ondervinden;, een kind van zijn tijd, iem. die met zijn tijd meegaat, die onder invloed staat van de tijdgeest;, een kind des doods zijn, moeten sterven;, geen kind aan iem. hebben, niet de minste last met iem. hebben;, ik krijg er een kind van, ik vind het vervelend, lastig;, een kind kan de was doen, het is een eenvoudig werk;, kinderen zijn hinderen, kinderen zijn vaak lastig;, Zuid-Nederlands :, het kind uithangen, zich kinderachtig aanstellen;, Zuid-Nederlands :, lieve kinderen hebben, iem., vooral zijn eigen kinderen, voortrekken; zie ook bij, badwater , kraai , 2 plat (II)