(«Grieks), de -woord, kerken, kerkgebouw; kerkgenootschap, kerkgezindte; kerkdienst, godsdienstoefening;, de kerk in het midden laten, niet naar de ene of de andere zijde overdrijven, niet te scherp partij kiezen;, in geen kerk of kluis komen, nooit naar de kerk gaan;, voor het zingen de kerk uit gaan, informeel aan coïtus interruptus doen;, ben je in de kerk geboren?, als licht sarcastische opmerking bedoelde vraag aan iem. die regelmatig de deur achter zich vergeet te sluiten