I, onbepaald voornaamwoord, een (of ander) ding: ik moet hem iets vragen ;, II, bijwoord, een weinig: dit boek is iets dikker dan het andere ;, III, het -woord, een niet nader omschreven zaak of begrip: dit bestrijdingsmiddel is een schadelijk iets ;, een ietsje, een beetje, weinig, een kleine hoeveelheid:, koffie met een ietsje suiker