` hon – derd, I, telwoord :, deze sigaretten kosten vijftien euro de honderd ;, II, het -woord, honderden, honderdtal: honderden euro`s ;, in `t honderd lopen, in de war raken, helemaal verkeerd gaan;, in `t honderd praten, in `t wilde weg;, Zuid-Nederlands :, vijf ten honderd, 5%;, Zuid-Nederlands :, honderd ten honderd meevallen, voor 100%, in alle opzichten;, Zuid-Nederlands :, zich honderd ten honderd voelen, volledig in orde, helemaal lekker;, Zuid-Nederlands :, ge hebt (al) honderd, het is nu welletjes