de -woord (mannelijk) ,, het -woord, hazen, 1, op een konijn gelijkend knaagdier met langere achterpoten en langere oren, wonend in open terreinen, bekend om zijn vlugheid, (lopen als een haas ) en zijn schuwheid (zo bang als een haas ) (Lepus capensis );, veel honden zijn der hazen dood, tegen een overmacht kan men niet op;, men kan nooit weten, hoe een koe een haas vangt, ook al is iets onwaarschijnlijk, men moet het niet geheel uitsluiten;, mijn naam is haas, ik houd me onnozel, ik doe alsof ik nergens van weet;, het haasje zijn, de dupe zijn, het moeten ontgelden;, er als een haas vandoor gaan, in allerijl;, 2, bangerd: wat een haas ben jij ;, 3, hondenrennen lokinstrument waar de deelnemende honden bij een windhondenrace achteraan lopen, vandaar , atletiek iem. die tijdens het begin van een langeafstandsrace voorop loopt om een betere atleet een goede tijd te laten maken, 2, haas, de -woord (mannelijk), hazen, meest malse spier van slachtvee