de -woord (mannelijk), het Opperwezen; God almachtig ; bij de gratie Gods ;, grote God!, uitroep van schrik of verbazing;, God noch (Zijn) gebod vrezen, om geen God of gebod geven, zeer goddeloos leven;, met God en met ere, onbesproken, zodanig dat niemand iets op iem. kan aanmerken;, leven als God in Frankrijk, onbezorgd, gemakkelijk leven;, God zal me bewaren, uitroep van schrik, ergernis e.d.;, door, van God (en alle mensen) verlaten, aan zichzelf overgeleverd, totaal verlaten;, ieder voor zich en God voor ons allen, men zal zichzelf moeten behelpen met slechts God als steun;, hij kwam God mag weten waar vandaan, onverwacht en van een volstrekt onbekende plaats;, van God los zijn, zich uiterst onverantwoord en asociaal gedragen;, Gode zij dank, Gode alleen zij de eer ; zie ook bij genade , godsnaam , godgeklaagd en water, god, de -woord (mannelijk), goden, goddelijk wezen, godheid, hoger wezen in een polytheïstische godsdienst;, grote goden!, uitroep van schrik of verbazing;, de mindere goden, minder belangrijke personen