ge` zien, I, bijvoeglijk naamwoord, geacht, in aanzien;, II, voorzetsel, met het oog op, wegens, kennis genomen hebbende van: gezien de grote belangstelling is de film geprolongeerd ;, III, volt deelw van zien ;, iets voor gezien houden, ermee ophouden;, voor gezien tekenen, door een handtekening laten blijken iets gezien te hebben;, mij niet gezien!, ik wil niet!, ik doe er niet aan mee!;, gezien zijn, sport verslagen zijn, (zwaar) aangeslagen zijn