ge` we – ten, volt deelw van weten en wijten, ge` we – ten, het -woord, gewetens, bewustzijn van goed of kwaad, schuld of onschuld;, iets op zijn geweten hebben, iets misdreven hebben, de schuld van iets hebben;, een nauw geweten, een ruim geweten, een sterk, resp. zwak besef van goed en kwaad;, vrijheid van geweten, gewetensvrijheid;, een goed geweten is een zacht oorkussen, geeft gemoedsrust, doet rustig slapen;, zijn geweten is met een brandijzer toegeschroeid, alle zedelijk besef is bij hem uitgeroeid;, naar eer en geweten, eerlijk, zonder kwade bedoelingen