` ge – ven, (gaf, h. gegeven), aanreiken, aangeven; bezorgen, verschaffen; schenken;, hij moet die betrekking eraan geven, opgeven, prijsgeven;, om iem. geven, gesteld zijn op iem., van iem. houden;, om iets geven, waarde hechten aan iets;, geven en nemen, niet te sterk doordrijven, schipperen;, kaartspel ronddelen;, aanstoot geven, ergernis teweegbrengen;, iets ten beste geven, voordragen, vertonen;, iem. er van langs geven, iem. een pak slaag geven, terechtwijzen;, dat geeft niets, dat maakt niets uit, doet er niet toe