ge` noeg, onbepaald telwoord en bijwoord, voldoende, toereikend;, er (meer dan of schoon) genoeg van hebben, er liefst nu maar niets meer mee te maken willen hebben;, zichzelf genoeg zijn, genoeg hebben aan zichzelf, geen behoefte hebben aan gezelschap of hulp van anderen;, ergens nooit, geen genoeg van krijgen, steeds van iets kunnen blijven genieten;, mans genoeg, zie bij 1 mans