ge` luk – kig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, geluk smakend, in een toestand van geluk verkerend, voorspoed genietend: gelukkig in het spel, ongelukkig in de liefde ;, niet gelukkig zijn met, bezwaren hebben tegen;, dan ben je (nog) niet gelukkig, dan krijg je het moeilijk