ge` beu – ren, I, (gebeurde, is gebeurd), geschieden;, het gebeurt mij, het overkomt mij;, het is met hem gebeurd, hij is gestorven of reddeloos verloren;, het zal je (maar) gebeuren!, dat is heel vervelend;, II, het -woord, (belangrijke) gebeurtenis of reeks van gebeurtenissen, veelal in samenstellingen : het kerstgebeuren , het mediagebeuren