ga` reel, («Oud-Frans), het -woord, garelen, halsjuk van trekdier; figuurlijk juk; boei;, in het gareel lopen, vaste, regelmatige arbeid verrichten;, ook zich conformeren aan het algemeen aanvaarde gedrag;, in hetzelfde gareel lopen, het goed met elkaar eens zijn, samenwerken;, in het gareel spannen, aan het werk zetten, dienstbaar maken aan bepaalde doeleinden