I, («Frans), de -woord, fouten, verkeerde zet, berekening, eigenschap e.d.;, in de fout gaan, een fout begaan;, Zuid-Nederlands :, dat is zijn fout, schuld;, Zuid-Nederlands :, in fout zijn, schuld hebben, de schuld zijn;, Zuid-Nederlands :, iem. in fout vinden, op een fout, vergissing betrappen;, Zuid-Nederlands :, zonder fout, zonder mankeren, in ieder geval;, II, bijvoeglijk naamwoord, verkeerd;, fout geweest zijn (in de Tweede Wereldoorlog), met de bezetters geheuld hebben