het -woord, daken, bedekking van een gebouw, van een voertuig e.d.: het dak van een huis, school, bus ; op het dak zitten ;, het gaat van een leien dakje, het gaat vlot;, een papieren, gouden, zilveren dak op zijn huis hebben, met een hypotheek belast zijn;, iemand iets op zijn dak schuiven, iemand de last van iets bezorgen;, van de daken verkondigen of schreeuwen, overal bekendmaken;, onder dak zijn, geen zorgen meer hebben, huisvesting hebben;, onder één dak, in hetzelfde huis;, een dak boven zijn hoofd hebben, een woning, een verblijfplaats hebben;, het dak van de wereld, bijnaam van Tibet;, op zijn dak krijgen, een uitbrander, straf krijgen;, hij kan het dak op of hij kan op het dak gaan zitten, aan zijn verzoek wordt niet voldaan of hij is ongewenst;, twee onder één dak, gezegd van twee woningen die zich in dezelfde constructie bevinden;, een open dak van een auto, bovendeel van een personenauto dat verwijderd of weggeklapt kan worden;, iem. iets op het dak sturen, iem. iets onaangenaams bezorgen; zie ook bij, dakje