` bo – ter, («Latijn«Grieks), de -woord, door karnen, afscheppen, kneden enz. uit melkvet verkregen vet;, boter bij de vis, contante betaling;, boter aan de galg smeren, vergeefse moeite doen;, het is botertje tot de boom, a) het gaat voorspoedig, er is welvaart; b) alles is in de beste harmonie (boom = bodem);, met zijn neus in de boter vallen, a) juist op een gunstig ogenblik aankomen; b) een ongezocht voordeel behalen;, boter op het hoofd hebben, anderen van iets beschuldigen waar men zichzelf ook schuldig aan maakt;, de boter eruit braden, het uiterste voordeel trachten te behalen;, zo geil als boter, zeer geil