bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, één der drie hoofdkleuren;, blauw bloed, adellijk bloed;, een blauwe, (scheldwoord ) iem. met niet-blanke huidskleur;, een blauwe boon, een loden kogel;, blauwe knoop, insigne van geheelonthouders;, een blauwe maandag, zeer korte tijd;, Delfts blauw, met blauwe verf beschilderd Delfts aardewerk;, Zeeuwse blauwen, aardappelsoort; zie ook bij, bont (II) , zone , oog