` an – der, I, bijvoeglijk naamwoord, niet dezelfde persoon of zaak als eerder genoemd: hij woont niet in dat grote huis, maar in het andere ;, aan de andere kant van de weg, aan de overzijde; niet aan de bestaande ordening aangepast, alternatief:, de andere keuken ; een andere geneeswijze ;, II, telwoord, tweede, volgende: om de andere dag ;, ten andere, Zuid-Nederlands bovendien, trouwens, overigens;, III, onbepaald voornaamwoord, niet met name genoemde personen of zaken;, onder andere(n), naast andere dingen (personen);, het een en ander, allerhande zaken