al – ge` meen ,, ` al – ge – meen, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, van, betreffende, bij allen of alles; in het groot, zonder bijzonderheden; overal gebruikelijk;, het algemeen beschaafd Nederlands, de Nederlandse standaardtaal;, in het algemeen, over het geheel; niet in bijzonderheden;, over of in het algemeen, doorgaans, gewoonlijk