I, telwoord, het geheel, alles, iedereen betreffend: in alle geval ;, allen zijn gered, (van mensen);, alle zijn geteld, (van dieren en zaken);, II, het -woord, alles;, al met al, alles overwogen hebbend; de wereld, het heelal, ;, III, bijwoord, reeds: hij is er al ; wel: dat is al heel erg ; al of niet leuk ; helemaal: geheel en al ; steeds opnieuw: al maar ;, bijwoord van graad :, al te goed ;, IV, voegwoord, ofschoon, AL, Albanië, Al, symbool voor het chemisch element aluminium