` blij – ven, (bleef, is gebleven), bij voortduring zijn; niet veranderen: de toestand blijft ; voortgaan met: blijven werken ;, blijven bij, niet afwijken van; over zijn:, tien min twee blijft acht ; sneuvelen, sterven: in de slag gebleven , op zee gebleven , dood blijven ; zich laten wachten: waar blijf je toch?