De 5-snarige banjo heeft een tamboerijnachtige romp die bestaat uit een ronde klankkast die aan de voorkant bespannen is met plastic of perkament. De korte duimsnaar wordt gebruikt voor het spelen vd. melodie en de andere vier snaren voor het geven van een simpele begeleiding.
Men bespeelt de banjo door te tokkelen met de vingers of een plectrum.