a) het individuele bedrijfshoofd, natuurlijk of rechtspersoon, die op het grondgebied van een zelfde Lid-Staat minstens tien ooien houdt, met uitzondering van Griekenland, waar een minimum van vijf ooien geldt; b) een samenwerkingsverband van natuurlijke of rechtspersonen voor het gemeenschappelijk gebruik van landbouwproduktiemiddelen waardoor het mogelijk is op het grondgebied van een zelfde Lid-Staat minstens tien ooien gemeenschappelijk te houden