de -woord (mannelijk), het praten;, iem. aan de praat houden, a) een gesprek met iem. lang rekken; b) figuurlijk de beslissing uitstellen;, (een auto, machine e.d.) aan de praat krijgen, doen starten, doen functioneren;, praats aanmatiging, ophef, een hoog woord: praats hebben ; zie ook praatje