(«Latijn), I, voorzetsel, en, met, gevoegd bij: twee plus drie is vijf ;, II, bijwoord, als positief te beschouwen: plus vier (+ 4) ;, plus 15°, 15° boven nul;, 40 plus, kaas met tenminste 40% vet;, 65 plus, (persoon) boven de 65 jaar;, III, de -woord (mannelijk) & het -woord, plussen, het teken +; overschot, hoger bedrag; iets wat ten goede gerekend moet worden; zie ook bij 3 min