` Pa – sen, («Latijn), de -woord (mannelijk), paasfeest;, als Pasen en Pinksteren op één dag vallen, nooit;, een witte Pasen, Pasen met sneeuw;, zijn Pasen houden, rooms-katholiek omstreeks Pasen ter communie gaan, zijn paasplicht vervullen;, beloken Pasen, de eerste zondag na Pasen