` over – schot, het -woord, overschotten, het overgeblevene, wat te veel is; wat er meer is dan nodig: een overschot van melk en boter ; Zuid-Nederlands :, overschot van, aan gelijk (hebben), volkomen gelijk (hebben);, Zuid-Nederlands :, met overschot van gelijk, volkomen terecht;, Zuid-Nederlands :, geen overschot hebben, nauwelijks genoeg hebben;, Zuid-Nederlands :, (weinig) overschot hebben, sport (nog maar weinig) voorsprong of achterstand;, Zuid-Nederlands :, op den overschot zitten, a) bij de verdeling van iets overschieten, niets krijgen; b) niet in tel zijn, voor spek en bonen meedoen