` ne – men, (nam, h. genomen), pakken; grijpen; beetnemen: we laten ons niet nemen ; aanvaarden, zich laten welgevallen: dat nemen we niet ;, een vesting nemen, veroveren;, een hindernis nemen, sport erlangs of eroverheen komen, figuurlijk een belemmering of moeilijkheid te boven komen;, het ervan nemen, het zich gemakkelijk en gezellig maken;, een einde nemen, eindigen;, iemand ertussen nemen, hem foppen, beetnemen;, iets ter hand nemen, het aanpakken, ermee beginnen;, iets op zich nemen, zich tot taak stellen het te doen;, uit elkaar nemen, de onderdelen losmaken;, Zuid-Nederlands :, deze plannen hebben nog geen vaste vorm genomen, aangenomen;, Zuid-Nederlands :, iem. nemen voor, aanzien voor, houden voor;, Zuid-Nederlands :, een dutje nemen, doen;, Zuid-Nederlands :, geduld nemen, oefenen;, Zuid-Nederlands :, met de nieuwe antenne kunnen we Holland nemen, ontvangen; zie ook bij, 2 acht , 1 been bet 1 , kwalijk , lief (I) , woord