I, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, welgevormd, de zinnen strelend; prettig aandoend; keurig; uitstekend, prima; ironisch lelijk, onbehoorlijk: een mooi optreden! ; jij bent ook een mooie! ;, ergens mooi mee zijn, ermee gedupeerd zijn, ermee zitten;, nu is het mooi genoeg geweest, het moet nu afgelopen, uít zijn;, mooi niet!, beslist niet zie ook bij, 2 weer ;, II, het -woord :, voor het mooi, vanwege de fraaiheid