me – di` te – ren, («Frans«Latijn) (mediteerde, h. gemediteerd), zich in gedachten verdiepen, peinzen; rooms-katholiek zich overgeven aan stille gebeden of vrome bespiegelingen, vooral van het lijden van Jezus (vooral in de vastentijd); thans vaker (onder invloed van Oosterse religies) een bepaalde geestelijke activiteit beoefenen ter ontspanning of ter bereiking van eenwording met God of een godheid e.d.