de -woord, manen, hemellichaam dat om een planeet cirkelt, vooral dat om de aarde cirkelt: nieuwe, wassende, volle, afnemende maan ;, naar de maan, weg, kwijt;, loop naar de maan!, loop heen!;, tegen de maan blaffen, machteloos protesteren of dreigen;, de maan schijnt door de bomen, schertsend gezegd van iem. die kaalhoofdig begint te worden; zie ook maantje