` la – chen, (lachte, h. gelachen), blijdschap, vrolijkheid uiten door gezichtsuitdrukking en keelgeluid;, in stilte lachen, zonder keelgeluid;, lachen naar iemand, in stilte naar iemand een vrolijke blik richten, glimlachen;, om te lachen, bespottelijk;, wie het laatst lacht, lacht het best, eerst als alles is afgelopen, blijkt wie het voordeel aan zijn kant heeft;, Zuid-Nederlands :, met iets lachen, over of om iets lachen;, Zuid-Nederlands :, dat is niet gelachen of dat is niet om mee te lachen, dat is van belang, ernstig, niet om mee te spotten; zie ook bij, 1 boer , groen en vuist