de -woord, krammen, hoefijzervormige, puntige haak, vooral om iets te bevestigen of aan elkaar te hechten; Zuid-Nederlands :, in, uit zijn krammen schieten, a) zijn zelfbeheersing verliezen, uit zijn vel springen; b) sport in actie komen, losbarsten, in de aanval gaan;, Zuid-Nederlands :, iem. in zijn krammen jagen, iem. boos maken