(«Latijn), bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, van geringe lengte of tijdsduur;, het kort houden, snel en terzake bespreken;, iem. kort houden, iem. weinig vrijheid laten;, het is kort dag, er is weinig tijd (van voorbereiding);, kort en klein slaan, helemaal kapot;, te kort doen, benadelen;, zich te kort doen, zichzelf benadelen, ook zelfmoord plegen;, te kort komen, niet krijgen waarop men recht heeft;, te kort schieten, in gebreke blijven, onvoldoende zijn;, tot voor kort, tot kort geleden;, Zuid-Nederlands :, kort nat, korte drank, sterke drank, vooral jenever;, Zuid-Nederlands :, te kort komen aan iets, a) tekortschieten (in zijn plicht e.d.); b) (een belofte) niet houden, niet nakomen;, Zuid-Nederlands :, te kort komen tegen iem., voor iem. moeten onderdoen;, Zuid-Nederlands :, het kort trekken, het kort maken;, Zuid-Nederlands :, om het kort te trekken, om kort te gaan;, Zuid-Nederlands :, kort zitten, a) krap zitten (met geld); b) gevangen zitten;, Zuid-Nederlands :, in `t kort, binnenkort; kort geleden;, Zuid-Nederlands :, binnen heel kort, op zeer korte termijn; zie ook bij, eind , geding , keer , 1 stof